Journalist Martijn van Leeuwen in Libanon

Crisis of niet, in Libanon gaat het werk altijd door

Libanon – vier keer kleiner dan Nederland – vangt ruim 2 miljoen Syrische oorlogsvluchtelingen op. Terwijl het land bijkans bezwijkt onder de instroom, houdt SOS Libanon stoïcijns vast aan zijn principe elk kwetsbaar kind of moeder – Libanees, Syrisch, Palestijns, moslim of christen – steun te bieden. Journalist Martijn van Leeuwen liep tijdens een Libanon-reis een dagje mee. Hij bezocht het hoofdkantoor in hoofdstad Beiroet, een kinderdorp en noodopvang in de heuvels daarboven en tekende de verhalen op van de directeur, hulpverleners en een SOS-moeder met haar kinderen.

SOS Kinderdorpen Libanon al 50 jaar veilig baken te midden van oorlogsgeweld

De Oostenrijkse Helga Zundel richtte The Lebanese Association of SOS Children’s Villages op in 1964. Het land herbergde toen al veel Palestijnse vluchtelingen na het uitroepen van de Israëlische staat in 1948 en de daarop volgende verdrijving van honderdduizenden Palestijnen. Ook kampte het kleine land aan de Middellandse Zee met de gevolgen van de eerste Libanese burgeroorlog in 1958 tussen moslims en christenen. Het eerste SOS kinderdorp opende zijn deuren in 1969 in Bhersaf, in de groene, koele heuvels boven hoofdstad Beiroet. Oorlogen lagen ook ten grondslag aan de totstandkoming van de meeste andere Libanese kinderdorpen en SOS-projecten. Het kinderdorp in het Zuid-Libanese Sferai moest de noden verlichten van jonge slachtoffers van de tweede Libanese burgeroorlog die woedde tussen 1975 en 1990. Het dorp was in 1982 nog niet geopend of de kinderen moesten al worden geëvacueerd na bombardementen en de daarop volgende Israëlische inval. Vanaf 1995 werd ook Noord-Libanon bediend met een kinderdorp in Kharfay. De opening van het vierde Libanese dorp in 2006 de Bekaavallei viel bijna samen met de bloedige zomeroorlog tussen Hezbollah en Israël. De SOS-kinderen moesten zomer 2006 halsoverkop worden geëvacueerd nadat Israëlische luchtbombardementen te dicht bij het kinderdorp in Ksarnaba kwamen. Na deze oorlog initieerde SOS een post-war family strenghtening program, waarbij 750 kinderen en 150 families psychotherapeutische hielp ontvingen. Anno 2016 herbergen de vier kinderdorpen gemiddeld tien familiehuizen met elk zo’n acht kinderen plus een SOS-moeder. Verspreid over Libanon exploiteert SOS ook zeven youth homes, waar oudere kinderen uit de kinderdorpen worden voorbereid op een zelfstandig volwassen leven. De jongens gaan daar vanaf 14 jaar naar toe, de meisjes vanaf 18 jaar. In Beiroet en de Bekaavallei voert SOS Libanon vanuit social centers en thuis bovendien langdurige preventieprogramma’s uit. Dit zogeheten family strengthening program van vijf jaar moet voorkomen dat biologische moeders de zorg over hun kinderen verliezen.  Weduwen en alleenstaande moeders krijgen onder meer psychosociale en financiële hulp. Tot nu toe heeft SOS Kinderdorpen de situatie van 700 moeders en 2.000 kinderen gestabiliseerd. Na het uitbreken van de Syrische burgeroorlog voorjaar 2011 heeft SOS in 2014 twee noodopvanglocaties voor Syrische kinderen geopend. In de locatie bij Beiroet en de recent geopende opvang in de Beekavallei zijn vooralsnog 300 kinderen geholpen. De Libanese SOS-tak verricht al deze werkzaamheden vooralsnog met 146 medewerkers.

Viviane Zeidan, directeur SOS Kinderdorpen Libanon: ‘Ondanks bezuinigingen helpen we meer kinderen’

‘Vanaf 2010 ben ik pas de derde Libanese SOS Kinderdorpen-directeur sinds 1964. We bevinden ons in de moeilijkste fase sinds onze oprichting. Het land is in crisis en wij verkeren in een financiële crisis. Libanon is overspoeld door ruim 2 miljoen Syrische vluchtelingen, waarvan er 1,5 miljoen zijn geregistreerd. Ons land telt nog geen 4 miljoen inwoners, onder wie een half miljoen Palestijnse vluchtelingen en zo’n 100.000 Irakese vluchtelingen. Libanon en ook SOS Kinderdorpen proberen de Syriërs zo goed mogelijk te helpen. De ironie is echter dat de Libanese bevolking nu ook lijdt. Met een plots half keer zo grote bevolking zijn al onze systemen en voorzieningen overbelast. Syrische kinderen mogen gratis naar school, waardoor voor veel Libanese kinderen geen plek meer is. Door de half miljoen Syriërs met geld en auto’s is huisvesting in met name regio Beiroet onbetaalbaar en is er een permanent verkeersinfarct. Bedrijven nemen massaal de helft goedkopere Syriërs in dienst. Bovendien is er een hoge inflatie, terwijl de lonen sinds 2008 niet meer zijn gestegen. De Libanese middenklasse is hierdoor weggevaagd. De werkloosheid bedraagt zo’n 40 procent. Libanese jongeren die de kans hebben, vertrekken massaal naar het buitenland. Alleen door creditcards en bankleningen kan de gemiddelde Libanees een bepaalde levensstandaard instandhouden. In deze crisissituatie moet SOS Kinderdorpen Libanon – overig net als in 35 andere landen – hard bezuinigen. Het internationale hoofdkantoor heeft bepaald dat onze subsidie stap voor stap wordt afgebouwd, totdat we in 2022 zelfvoorzienend zijn. De verhouding tussen SOS-subsidie en donorbijdragen is nu 49 om 51 procent. Zo goed en zo kwaad proberen we al onze programma’s en locaties overeind te houden. Zo hebben we de Duitse regering bereid gevonden onze noodopvang voor Syrische kinderen te financieren. Ook Canada en andere West-Europese landen dragen bij. En veel particuliere Libanezen sponsoren een kind voor omgerekend 13 dollar per maand. Een rijke Libanees uit Dubai betaalt een groot deel van de onderwijskosten van onze SOS-kinderen. Bij universiteiten hebben we kortingen van zo’n 50 procent bedongen. Met de Libanees-Amerikaanse Universiteit hopen we een deal te sluiten over een SOS-stageplaats van een student in ruil voor gratis onderwijs van een SOS-kind. Ondanks de vrijgevige Libanese bevolking kunnen we ons huidige budget van 6 miljoen dollar echter niet in stand houden. We konden er dan ook niet onderuit één jeugdhuis te sluiten. We hebben in totaal 146 medewerkers, zo’n 6 procent minder dan vorig jaar. Het helpt ook niet dat de subsidie van de Libanese overheid is weggevallen. Het hele sociale budget gaat naar Syrische vluchtelingen. Libanon zit al twee jaar zonder president en zonder regeringsbeleid. Dat weerhoudt ons er niet van nieuwe programma’s voor Syriërs op te zetten in de Beekavallei. Een soortgelijk voorstel in Noord-Libanon is in de maak. Maar we hebben wel besloten 40 procent van het door ons gevraagde noodbudget in te zullen zetten voor de Libanese bevolking.’

Carla Choueefaty en Rama Chahine, sociaalwerkers regio Beiroet: ‘Ook hopeloze gevallen laten we niet in steek’

‘In ons familieversterkende programma werken we in heel Libanon met zes sociaalwerkers. Dat waren er negen, maar drie moesten er helaas weg vanwege bezuinigingen. Elke sociaal werker heeft veertig families onder zijn hoede. Dus hebben we tachtig families overgenomen van twee ex-collega’s. Met ons tweeën nemen we nu Beiroet en de hele kuststrook voor onze rekening. Het is keihard werken, we zijn 24 uur per dag beschikbaar. Hoe wij dat doen? Wij zijn supervrouwen! Een stelsel voor sociale zekerheid bestaat niet in Libanon. De overheid financiert alleen ziekenhuizen, gehandicaptenopvang en enkele weeshuizen. Voor de overige hulp en zorg zijn Libanezen aangewezen op non-gouvernementele organisaties.

De meeste vrouwen die bij ons aankloppen, zitten in een vicieuze cirkel van schulden, gezondheids- en psychische problemen en werkloosheid. Andere moeders zijn te arm om goed voor hun kinderen te kunnen zorgen. Dat zijn vooral jonge, alleenstaande moeders die per ongeluk zwanger raakten en zijn verstoten door hun familie. Dat gebeurt vooral in de conservatieve Beekavallei, waar deze moeders zelfs door hun eigen familie dreigen te worden vermoord.

Het hoeft geen betoog dat de kinderen – wier hele leven om hun moeder draait – daar het meeste onder lijden. Om te voorkomen dat deze moeders hun kinderen verlaten, ontzorgen we hen. We lossen hun schuldenproblematiek op, geven psychosociale hulp, betalen ziekenhuisrekeningen en brengen ze voor specialistische problemen onder bij andere ngo’s. Als kinderen spijbelen, blijven zitten of slechte cijfers hebben, praten we met de scholen en schakelen we de schoolpsycholoog in. Is een moeder weer bij positieven, zorgen we voor een training en een baan. Zo geven we hen naaitrainingen voor een baan in onze workshops. Tientallen vrouwen maken tassen en traditionele poppen die in heel Libanon worden verkocht. Succes hebben we meestal als de moeder een baan heeft en de kinderen weer gelukkig zijn op school. Dat is meestal na drie tot vijf jaar. Na drie tot zes maanden controle trekken we ons terug. Een van die vrouwen is Raymonda. Een school meldde haar in 2003 bij ons aan. Deze moeder van vier kinderen werd zwaar mishandeld door haar man en scheidde van hem. Raymonda was angstig en zag het leven niet meer zitten. Voor haar was met name de groepstherapie heel belangrijk, waarin ze haar verhaal met andere vrouwen kon delen. Ze heeft een opmaakcursus bij L’Oreal gehad en werkt al jaren in ons atelier. Zij en haar kinderen kunnen weer lachen, vertelt ze ons. Wij en die vrouwen zijn haar nieuwe familie. In sommige gevallen hebben we geen succes. Zo ontfermen we ons al acht jaar over een moeder met drie kinderen. Haar man is overleden aan kanker, zij heeft hartproblemen en kan niet werken. Haar jongste zoon is net genezen van kanker. De oudste zoon heeft rugletsel na een motorongeluk en is getraumatiseerd en agressief. De dochter die de rol van moeder vervult, is nu depressief omdat ze de situatie niet meer aankan. Ze wonen in een kamer in het huis van een oom. SOS Kinderdorpen en andere ngo’s betalen alle rekeningen. Zicht op een oplossing is er helaas niet. Hoe wij het vol houden? We houden van SOS. We zijn één grote familie, of we nu moslim, christen of van welke religie dan ook zijn. Net zoals we alle nationaliteiten helpen en rekening houden met alle zeden en normen. SOS is dan wel een christelijke organisatie maar net als het Rode Kruis zijn we apolitiek en areligieus. Dus als een moslima niet toestaat dat haar dochter gaat werken, respecteren we dat. We hebben alle goede en slechte tijden meegemaakt. SOS Kinderdorpen Libanon is een pionier in het Midden-Oosten. Onze strategie is in de hele regio overgenomen. Financieel gaat het nu wel slecht met SOS, maar onze moraal is goed. Elke keer dat wij een leven ten goede keren, krijgen we nieuwe energie. Respectievelijk 27 en 21 jaar werken we hier nu. We blijven loyaal aan SOS, ook al word je er financieel niet veel wijzer van. In dit door oorlogen geteisterde land heeft iedereen wel iets verschrikkelijks meegemaakt. Omdat we die ellende kennen, weten we hoe belangrijk het is er voor anderen te zijn.’

Misrine Haber, coördinator SOS-kinderdorp Bhersaf: ‘Ga je me ooit verlaten, vroeg een kind

‘Tien jaar geleden kwam ik op de universiteit de SOS-directeur tegen. Ze vroeg me of ik als student Engels de kinderen bijles wilde geven. Dat heb ik vier jaar gedaan en ben daarna niet meer weggegaan. Dit is geen baan van negen tot vijf. Er is altijd wel een kind of moeder die je nodig hebben of er komt een verzoek uit Beiroet. Maar de kinderen geven je de kracht door te gaan. Alle stress glijdt van je af als een kind zegt “ik hou van je”. Het is emotioneel zwaar werk, want je werkt met tere, kwetsbare kinderen. Hoeveel liefde de SOS-moeders hen ook geven, hun verleden heeft een wond in hun ziel geslagen. Soms zijn hun ouders overleden, maar meestal zijn ze verlaten door hun biologische ouders. Het is lastig altijd je professionele pet op te houden. Als de kinderen stout zijn geweest, moet ik streng tegen ze zijn. Ook schoolleraren druk ik altijd op hun hart de SOS-kinderen als gewone kinderen te behandelen en ze geen voorkeursbehandeling te geven. Maar die kinderen leunen ook emotioneel op mij. Voor hen ben ik tante Misrine. Als ze verdrietig zijn of een slecht schoolcijfer hebben en bang zijn voor de reactie van hun SOS-moeder, komen ze naar mij toe. Marie-Belle van 10 jaar kwam laatst naar me toe. “Ga je ons ooit verlaten”, vroeg ze. De tranen schoten bijna in mijn ogen. “Nooit”, was het enige dat ik kon zeggen. Sinds ik 1,5 jaar geleden zelf een dochter heb gekregen, is mijn toewijding alleen maar gegroeid. Wat ik mijn dochter geef, verdienen de SOS-kinderen ook. De SOS-moeders zijn supermoeders. Dag en nacht moeten ze er zijn voor hun zeven of acht kinderen. Ze maken net als andere kinderen ruzie, zijn soms verdrietig of hebben problemen op school. Een dag per week zijn de moeders vrij. Ook staat er altijd een psycholoog tot hun beschikking en kunnen ze de opvoeding bespreken met de aanwezige opvoedkundige. De kinderen leiden echter een goed leven. Ze gaan naar lokale scholen, hebben veel vrienden, blijven bij hen logeren, maken uitstapjes naar zee. SOS-moeder Anna beschouwt ze als haar eigen kinderen. Ze geeft alle kinderen evenveel liefde, maar hanteert wel een strikte discipline. Pas als ze klaar zijn met huiswerk mogen ze buitenspelen. Ze helpen allemaal mee in het huishouden. In huis zijn geen computers en tablets en tv mogen ze ook niet veel kijken. Ze worden opgevoed tot zelfstandige, verantwoordelijke kinderen. De schoolresultaten zijn navenant. Ze zijn intelligent, studeren hard en 98 procent slaagt. Maria en Eliu zag ik als baby binnenkomen. Eliu van nu 10 wilde eerst piloot worden maar is nu vastbesloten om net als Lionel Messi spits van FC Barcelona te worden. Maria van 11 wil later kinderpsycholoog zijn. Voor de moeder en kinderen is het zwaar als een van de kinderen naar een youth home vertrekt. Ze blijven echter contact houden en een keer per maand komen ze logeren. Ze zijn verdrietig, omdat Sam van 4 in september vertrekt. Sam kwam als 1,5 jarige naar het kinderdorp nadat zijn moeder was overleden. Nu zijn vader zijn leven op orde heeft en opnieuw is getrouwd, wil hij er zijn voor zijn zoon. Toch hebben de kinderen er vrede mee, want Sammi is heel gelukkig bij zijn eigen vader.’

Jean Chamoun, centrummanager Syrische crisisopvang Khenchara, regio Beiroet: ‘Onze kinderen hebben executies in Syrië gezien

‘In zekere zin voel ik mezelf een SOS-kind. Mijn vader was hulpverlener bij SOS Kinderdorpen Syrië. Ik  heb mijn hele leven gewoond op de campus van een SOS-kinderdorp. Tijdens mijn studie in Damascus werd ik SOS-vrijwilliger. Elke jongen in Syrië die is afgestudeerd, moet verplicht het leger in. Ik wilde geen onschuldige burgers doden. Direct na mijn laatste examen ben ik drie jaar geleden gevlucht naar Libanon. Twee weken later werd me telefonisch meegedeeld dat ik was geslaagd. Mijn vader heeft mijn diploma moeten ophalen. De Syrische noodopvang hebben we mede opgezet, omdat dezelfde faciliteit in Syrië na de vele bombardementen te gevaarlijk werd. De opvang vindt plaats in een oud klooster in Khenchara dat SOS gratis mocht pachten van de eigenaar. We vangen hier 37 kinderen permanent op, 21 kinderen gaan aan het eind van de middag terug naar hun ouders in de buurt. Dat doen we met een psycholoog, een dokter, drie sociaalwerkers, twee case workers die de kinderen intekenen en ik als manager. De onderwijzers gaan na schooltijd naar huis. De opvang is bedoeld voor Syrische kinderen van 3 tot en met 14 jaar en voor maximaal zes maanden. We zorgen echter ook voor een baby van bijna 1,5 jaar. Hij heeft hier zijn eerste stapjes gezet. We zijn geen starre bureaucratische instelling die kinderen vanwege regeltjes op straat laat. Ook zitten sommige kinderen hier al 1,5 jaar. In Libanon is geen enkele ngo die permanente opvang biedt aan Syrische kinderen. Wel hebben we twee ngo’s gevonden waar kinderen tot hun 18e terecht kunnen. Met SOS ben ik nu bovendien in gesprek om de mogelijkheden van plaatsing in een SOS-kinderdorp te onderzoeken. Hier zijn kinderen die een of allebei hun ouders in de oorlog hebben verloren. Ook vangen we kinderen op die verplicht werden executies door IS bij te wonen. Sommige ouders zitten vast in Syrië. Zo is een moeder teruggegaan naar IS-hoofdstad Raqqa om haar zoon op te halen. Haar jongste zoon zit bij ons. Door de felle gevechten zit ze nu echter klem. We krijgen ook kinderen die in hun eentje zijn gevlucht en bedelend door Beiroet zwerven. Die vangen we na toestemming van de rechter hier op. We bieden ook onderdak aan kinderen die nog wel een of twee ouders hebben. Sommige zitten in Libanon in de gevangenis. Anderen moeten we juist tegen hun ouders of familie beschermen. Niet alleen tegen fysiek of seksueel geweld. Sommige kinderen – meestal meisjes – worden zelfs door hun bloedeigen ouders verkocht. We hebben gevallen gedocumenteerd waarbij minderjarige meisjes voor 5.000 dollar werden verkocht voor uithuwelijking.

De meeste kinderen zijn getraumatiseerd. Om de kinderen zo goed mogelijke hulp te bieden, zijn onze medewerkers bijgeschoold door het Rode Kruis en ook het Nederlandse Warchild. Naast psychotherapie passen we spel- en dramatherapie toe. Wat ook helpt, is dat de helft van onze medewerkers zelf uit Syrië komt. Daardoor kunnen ze praten over bekende plekken en gemeenschappelijke ervaringen. Na enkele weken van zulke sessies, vertrouwen ze ons. Pas dan komen hun emoties los. De jongste kinderen willen weten waar hun mama, papa, broertje of zusje zijn. De oudere kinderen maken zich vooral zorgen over hun toekomst. Wij geven kinderen hun structuur terug met op gezette tijden school, eten, huiswerk en speeltijd. Ook hebben we een moestuin aangelegd. Als ze goed voor de tuin zorgen, zorgen ze ook goed voor elkaar. De ouders helpen we hun plek in de Libanese samenleving te vinden. Aan geld is altijd gebrek. Vooral ’s winters is het voor de kinderen zwaar. Met een hoogte van 900 meter is het hele dorp ondergesneeuwd en kunnen we geen kant uit. Uitstapjes zijn een uitkomst maar zeer kostbaar. Busmaatschappijen en pretparken of restaurants vragen het volle pond. Elk mogelijk bedrijf dat ik spreek, vraag ik om ons te sponsoren. Soms krijgen we speelgoed of voedsel van supermarkten. Maar het mag altijd meer zijn.’